sr.search

Grondwettelijk Hof vernietigt vervaltermijn van drie maanden voor verzoek tot kwijtschelding

Insolventie & Herstructureringen

Het Grondwettelijk Hof heeft komaf gemaakt met de vervaltermijn van drie maanden die art. XX.173, §2 WER oplegde aan gefailleerde natuurlijke personen voor het indienen van een verzoek tot kwijtschelding van hun restschulden. Het is afwachten hoe de wetgever hiermee zal omgaan.

16 november 2021


Contact

Een natuurlijke persoon wiens faillissement is afgesloten, blijft in principe met zijn volledige vermogen instaan voor schulden die overblijven na verdeling van het faillissementsactief. Om de gefailleerde natuurlijke persoon de kans te geven om opnieuw in het ondernemingsleven te stappen, zonder meteen alle winst te verliezen aan “oude” schuldeisers, kan de ondernemingsrechtbank deze restschulden kwijtschelden. De gefailleerde moet hiervoor een verzoek indienen via RegSol. De ondernemingsrechtbank kan het verzoek enkel (geheel of gedeeltelijk) weigeren indien belanghebbenden, zoals schuldeisers, de curator of het openbaar ministerie, zich verzetten tegen de kwijtschelding en kunnen aantonen dat de gefailleerde een kennelijk grove fout heeft begaan die heeft bijgedragen tot het faillissement. Het instellen van het verzoek is dus een noodzakelijke vereiste voor kwijtschelding, maar leidt (behoudens bij geslaagd verzet door een belanghebbende) quasi altijd tot het verkrijgen ervan.

Tot voor kort was de gefailleerde hierbij gebonden door de vervaltermijn uit art. XX.173, §2 WER, op grond waarvan hij het verzoek tot kwijtschelding moest indienen (i) ofwel tezamen met zijn aangifte van faillietverklaring, (ii) ofwel binnen uiterlijk drie maanden na bekendmaking van het faillissementsvonnis. Bij het niet respecteren van deze termijn, verloor de gefailleerde zijn recht op kwijtschelding integraal en onherroepelijk. Dit drastische gevolg staat haaks op de finaliteit van Boek XX WER, met name (onder andere) het bevorderen van tweedekansondernemerschap. Er kwam hierop veel kritiek.

Het Grondwettelijk Hof heeft hier oor voor gehad. In een recent arrest van 21 oktober 2021 vernietigde het Hof art. XX.173, §2 WER in zoverre het bepaalt dat de gefailleerde natuurlijke persoon die niet binnen de vervaltermijn van drie maanden na bekendmaking van het faillissementsvonnis een verzoek tot kwijtschelding van zijn restschulden indient, het recht op die kwijtschelding onherroepelijk verliest. In een arrest van 22 april 2021 oordeelde het Grondwettelijk Hof eerder al dat de vervaltermijn van drie maanden in strijd was met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel. Volgens het Hof blijkt uit de parlementaire voorbereidingen van het artikel niet waarom kwijtschelding enkel mogelijk zou moeten zijn na uitdrukkelijk verzoek van de gefailleerde, noch waarom dergelijk verzoek op straffe van verval zou moeten worden ingediend binnen een korte termijn van drie maanden.

Het verdwijnen van de vervaltermijn van drie maanden na faillissementsvonnis doet de vraag rijzen tot wanneer het verzoek tot kwijtschelding thans kan worden ingesteld. De wetgever zal klaarheid moeten scheppen.

Corporate Social Responsibility

Lees meer

Vacatures

  • Advocaten 13
  • Staff 1
Lees meer