sr.search

De niet-uitvoeringsexceptie (ENAC) bij meerpartijenovereenkomsten (Cass. 30 oktober 2020)

Privaat Bouwrecht

In de bouwpraktijk is de opschorting van de uitvoering van een verbintenis (vnl. de uitvoering van werken, betalen van een prijs) een veelvoorkomende maatregel in geval van wanprestatie van de andere partij. Deze algemene remedie wordt uiteraard ook buiten de bouwpraktijk toegepast.

07 juni 2021


Contact

In deze nieuwsflash bespreken wij het arrest van het Hof van Cassatie van 30 oktober 2020 dat handelt over deze niet-uitvoeringsexceptie, specifiek bij meerpartijenovereenkomsten. Men spreekt van een meerpartijenovereenkomst wanneer een overeenkomst wordt gesloten tussen meer dan twee partijen. Dergelijke meerpartijenovereenkomsten duiken regelmatig op: huurpoolovereenkomsten met meerdere (ver)huurders, multi-eigendom of timesharing-overeenkomsten met meerdere eigenaars, investeringsovereenkomsten met meerdere investeerders, enz. Evenwel werden de leerstukken (totstandkoming, ontbinding, enz.) in ons oud Burgerlijk Wetboek op maat gemaakt van tweepartijenovereenkomsten en dat is niet anders voor de niet-uitvoeringsexceptie als algemeen rechtsbeginsel (Cass. 15 juni 2000, AR C.97.0118.N).

Alvorens nader in te gaan op het cassatiearrest van 30 oktober 2020 (zie punt 2.), brengen wij de algemene principes van de niet-uitvoeringsexceptie in herinnering (zie punt 1.), waarbij wij u ook graag verwijzen naar onze eerdere nieuwsflash.

De niet-uitvoeringsexceptie (“ENAC”)

De niet-uitvoeringsexceptie, of de exceptio non adimpleti contractus (“enac”), is een verweermiddel (“exceptie“) waarmee een contractspartij bij een wederkerige overeenkomst (of rechtsverhouding) haar eigen verbintenissen tijdelijk kan opschorten, zonder enige tussenkomst van een rechter, wanneer de andere contractspartij haar verbintenissen niet nakomt. Dit maakt van de niet-uitvoeringsexceptie een nuttig drukkingsmiddel.

Een overeenkomst (of rechtsverhouding) is “wederkerig” wanneer de partijen zich over en weer jegens elkaar verbinden waardoor alle partijen zowel schuldenaar als schuldeiser zijn (art. 1102 oud BW). De uitbreiding “rechtsverhouding” is nodig omdat de partijen niet noodzakelijk door één overeenkomst moeten verbonden zijn: de niet-uitvoeringsexceptie kan ook over verschillende overeenkomsten heen binnen eenzelfde rechtsverhouding worden toegepast, indien kan aangetoond worden dat het de gemeenschappelijke bedoeling van de partijen was om alle afzonderlijke overeenkomsten als één ondeelbaar geheel te beschouwen (Cass. 8 september 1995, AR C.94.340.F).

De rechtspraak koppelt doorgaans een viertal (cumulatieve) voorwaarden aan een rechtsgeldige toepassing van de niet-uitvoeringsexceptie:

  • ten eerste moet er sprake zijn van “verknochtheid” tussen de verbintenis die men wil opschorten enerzijds en de verbintenis waarvan men de niet-nakoming aanvoert anderzijds;

  • ten tweede moet de partij die de exceptie inroept, beschikken over een schuldvordering die zeker is (“het bestaan ervan wordt niet en kan niet ernstig worden betwist”) en als eerste opeisbaar is (“deze partij diende niet zelf als eerste te presteren”);

  • ten derde moet de partij die de exceptie inroept een toerekenbare contractuele wanprestatie van haar contractspartij kunnen aantonen; en

  • ten vierde moet de exceptie te goeder trouw worden uitgeoefend, wat enerzijds impliceert dat voormelde contractuele wanprestatie niet aan de partij die de exceptie inroept te wijten mag zijn (“subjectieve goede trouw”) en anderzijds dat de opschorting proportioneel is in verhouding met de contractuele wanprestatie (“objectieve goede trouw”).

De eerste toepassingsvoorwaarde verdient extra aandacht in het licht van het hierna besproken cassatiearrest van 30 oktober 2020. Men spreekt van “verknochtheid” (of “samenhang”) van verbintenissen wanneer de ene verbintenis is aangegaan om de andere, bijvoorbeeld wanneer de bouwheer is gehouden tot een betalingsverbintenis omdat de aannemer aan zijn uitvoeringsverbintenis heeft voldaan. Dit is eigen aan wederkerige overeenkomsten en rechtsverhoudingen (zie hiervoor). Of verbintenissen verknocht zijn, dient geval per geval (in concreto) door de rechtbank te worden beoordeeld.

Waar het op het eerste gezicht vaak duidelijk is of verbintenissen verknocht zijn in een overeenkomst (of rechtsverhouding) tussen twee partijen, kan dit moeilijkheden opleveren bij een meerpartijenovereenkomst. Slechts één van deze moeilijkheden is de vraag of contractspartij A haar verbintenis kan opschorten ten aanzien van contractspartij B, omdat deze laatste haar verbintenis ten aanzien van contractspartij C niet nakomt.

 

Arrest van hof van cassatie van 30 oktober 2020

Bovenstaande vraag werd beantwoord door het Hof van Cassatie in zijn arrest van 30 oktober 2020. De feiten ten gronde hebben betrekking op een meerpartijenovereenkomst, meer bepaald een investeringsovereenkomst tussen vier partijen (en de minderheidsaandeelhouders van één van deze partijen) die hierna gemakshalve worden aangeduid als partij W tot en met Z. In het kader van deze investeringsovereenkomst kwamen de partijen overeen dat partij W een distributieovereenkomst diende te sluiten met een derde die niet bij de investeringsovereenkomst was betrokken. Toen partij W naliet om deze distributieovereenkomst te sluiten (alsook de reeds bij deze derde geplaatste bestellingen te betalen), beriepen investeerders X en Y zich op de niet-uitvoeringsexceptie wat betreft hun betalingsverbintenissen onder de investeringsovereenkomst.

Het hof van beroep Gent oordeelde dat investeerders X en Y zich niet rechtsgeldig op de niet-uitvoeringsexceptie konden beroepen omdat investeerders X en Y “geen beroep kunnen doen op een schuld die [partij W] zou hebben ten aanzien van een derde”. Investeerders X en Y stelden een voorziening in cassatie in tegen deze beslissing, wat het Hof van Cassatie de mogelijkheid gaf om zich uit te spreken over de vereiste van “verknochtheid” bij meerpartijenovereenkomsten.

Het Hof van Cassatie bevestigt in zijn arrest dat de uitoefening van de niet-uitvoeringsexceptie verknochtheid tussen de verbintenissen veronderstelt, aangevuld met: “Ingeval van een meerpartijenovereenkomst kan een contractspartij op grond van deze exceptie de uitvoering van haar verbintenissen ten opzichte van een andere partij opschorten indien deze partij in gebreke is een verbintenis jegens haar uit te voeren of een verbintenis tegen een andere partij in zoverre er verknochtheid bestaat tussen de verbintenissen.” (eigen onderlijning). Met andere woorden, het Hof beantwoordt de onder punt 1. gestelde vraag positief: contractspartij A kan haar verbintenis opschorten ten aanzien van contractspartij B, omdat deze laatste haar verbintenis ten aanzien van contractspartij C niet nakomt, voor zover deze verbintenissen verknocht zijn.

Zoals aangehaald, dient verknochtheid geval per geval (in concreto) te worden beoordeeld door de rechtbank waarbij het Hof van Cassatie enkel de wettigheid van dergelijke beoordelingen door de rechtbank kan toetsen, zonder een eigen beoordeling in de plaats te stellen. Met betrekking tot de beoordeling door het hof van beroep Gent dat de verbintenissen niet verknocht zijn aangezien investeerders X en Y “geen beroep kunnen doen op een schuld die [partij W] zou hebben ten aanzien van een derde”, stelt het Hof van Cassatie dat het hof van beroep Gent zijn beslissing naar recht verantwoordt zodat de beoordeling wettig is. Deze beoordeling is evenwel onlosmakelijk verbonden met de specifieke feiten van dit geschil, zodat het belang van dit cassatiearrest moet worden beperkt tot het in de vorige paragraaf aangehaalde principe.

 

Conclusie

Wij onthouden dat het Hof van Cassatie de toepassing van de niet-uitvoeringsexceptie bij meerpartijenovereenkomsten aanvaardt, zelfs indien een partij (partij A) haar verbintenis opschort ten aanzien van een andere partij (partij B) die in gebreke is een verbintenis ten aanzien van nog een andere partij (partij C) uit te voeren, zolang de verbintenissen maar verknocht zijn. Of verbintenissen verknocht zijn, zal geval per geval, aan de hand van de specifieke en concrete elementen van het dossier, worden beoordeeld door de rechtbank. De gemeenschappelijke bedoeling van de partijen kan hierbij richtinggevend zijn.

Om niet volledig afhankelijk te zijn van de beoordeling door de rechtbank, is het aanbevolen dat de partijen zelf de nodige contractuele regelingen voorzien. Door duidelijke contractuele afspraken te maken over de toepassing van de niet-uitvoeringsexceptie, kan veel ruimte voor latere (feitelijke) discussies worden weggenomen.

Voor meer informatie over dit onderwerp, kan u contact opnemen met Marco Schoups, Michael Thielens en Joachim Nys (de auteurs van dit artikel) of Siegfried Busscher (celhoofd Privaat Bouwrecht).

Corporate Social Responsibility

Lees meer

Vacatures

  • Advocaten 7
  • Staff 1
Lees meer