sr.search

Geen discriminatie wegens hoofdelijke gehoudenheid sociale schulden bij aanneming en compensatie

Arbeidsrecht

In een arrest van 8 juli 2021 heeft het Grondwettelijk Hof geoordeeld dat het niet discriminerend is om een hoofdaannemer hoofdelijk aansprakelijk te houden voor de sociale schulden van zijn onderaannemer als zijn schuld ten aanzien van de onderaannemer door wettelijke schuldvergelijking is verdwenen. Het betreft de materie in artikel 30bis, §§3 en 4, vierde lid van de RSZ-wet.

30 juli 2021


Contact

AANLEIDING NAAR HET ARREST

De discussie kent zijn oorsprong bij de Nederlandstalige Arbeidsrechtbank in Brussel. Daar stelde de verwijzende rechter bij vonnis van 2 oktober 2020 twee prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof met betrekking tot deze feiten.

Een hoofdaannemer voerde in samenwerking met zijn onderaannemer verschillende werken uit gedurende een periode van 4 jaar. De onderaannemer huurde regelmatig een betonmixer bij de hoofdaannemer. Beide partijen hadden doorheen deze periode verscheidene schulden ten aanzien van elkaar, maar deze werden door schuldvergelijking in 2015 zo goed als volledig vereffend. 

In 2016 werd de onderaannemer failliet verklaard en uit het faillissement bleek dat deze een behoorlijk bedrag aan sociale schulden had. Dit was reeds het geval in 2014 op het moment van de samenwerking met de hoofdaannemer. De RSZ beriep zich via de RSZ-wet[1] op de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hoofdaannemer voor deze sociale schulden van de onderaannemer die reeds bestonden op het moment van de overeenkomst en tijdens de uitvoering van de overeenkomst. 

 

RSZ-WET

De RSZ-wet voorziet in een uitzondering op deze hoofdelijke aansprakelijkheid voor de gevallen waarbij de hoofdaannemer zijn inhoudingsplicht naleeft. Deze verplichting betekent concreet dat de hoofdaannemer / opdrachtgever bij de betaling aan een onderaannemer met sociale schulden 35 % van dit bedrag moet inhouden en vervolgens doorstorten aan de RSZ. Indien de hoofdaannemer zich aan deze wettelijke verplichting houdt, wordt hij van de hoofdelijke aansprakelijkheid vrijgesteld. Het doel van deze bepaling is om de RSZ toe te laten de niet betaalde bijdragen toch te kunnen invorderen en daarnaast te vermijden dat aannemers hun sociale verplichtingen niet naleven waardoor o.a. een oneerlijk concurrentieel voordeel zou worden verkregen ten opzichte van aannemers die hun verplichtingen wel naleven.  

Lees ook onze eerdere nieuwsbrieven m.b.t. de inhoudingsplicht voor meer informatie (Link en Nog een link ).

Echter rees in bovenstaand geschil het volgende probleem: de hoofdaannemer had zijn schuld teniet zien gaan door de wettelijke schuldvergelijking met de vorderingen die hij had op de onderaannemer, en kon dus ten aanzien van zijn onderaannemer de inhouding niet toepassen. Hierdoor kon hij niet aan de hoofdelijke aansprakelijkheid ontsnappen. De te betalen schuld was namelijk niet langer aanwezig. 

De verwijzende rechter te Brussel vroeg zich af hoe dit zich verhoudt ten opzichte van het non-discriminatiebeginsel van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 

 

UITSPRAAK

Het Grondwettelijk Hof heeft in dit geval geoordeeld dat er geen schending is van het non-discriminatiebeginsel. Het baseert zich daarvoor op de volgende argumenten:

Ten eerste stelt het Hof dat de hoofdaannemer door de wettelijke schuldvergelijking niet per se in de onmogelijkheid verkeert om de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de sociale schulden te vermijden. De hoofdaannemer kan volgens het Hof perfect een overeenkomst sluiten met een aannemer die op dat ogenblik geen sociale schulden heeft. Een aannemer is volgens het Hof in staat om op een eenvoudige manier na te gaan of de onderaannemer zijn sociale schulden heeft betaald. Voor schulden die ontstaan tijdens de overeenkomst is de hoofdaannemer slechts verplicht om de inhoudingsplicht na te leven op straffe van bijslag en is deze niet hoofdelijk aansprakelijk.

Ten tweede vermeldt het Hof dat hoofdaannemers moeten worden geresponsabiliseerd om zo de strijd tegen sociale fraude op een efficiënte wijze te voeren.  

Ten derde is het bedrag waarop de RSZ door de hoofdelijke aansprakelijkheid recht heeft nooit hoger dan de schade die zij heeft geleden door de niet betaling door de onderaannemer. Daarnaast ligt het te betalen bedrag nooit hoger dan de totaalprijs van de aan de onderaannemer toevertrouwde werken. 

Ten vierde rijst bij de hoofdelijke aansprakelijkheid tussen aannemers de mogelijkheid om ten aanzien van de overige aannemers de schuld terug te vorderen. Echter beseft het Hof dat de mogelijkheid bestaat dat één aannemer integraal zal worden aangesproken zonder zich op andere aannemers te kunnen verhalen. Dit is voor het Hof een risico dat niet opweegt tegen het doel van de wet om sociale fraude te vermijden en efficiënt te bestrijden. Het is een legitieme keuze tot responsabilisering van de hoofdaannemers en opdrachtgevers. 

 

CONCLUSIE

Kortom, het blijft dus zeer belangrijk voor aannemers en opdrachtgevers om bij het sluiten van een (onder)aannemingsovereenkomst na te gaan of de aannemer sociale schulden heeft, wat kan op de website van de RSZ (link). Indien dit het geval is, moet de aannemer er zich van bewust zijn dat hij bij betalingen aan de aannemer een inhouding van 35 % doet en deze doorstort aan de RSZ. Alleen op deze wijze zal hij aan de hoofdelijke aansprakelijkheid kunnen ontsnappen. 

Voor sociale schulden die ontstaan tijdens de loop van het contract, kan de aannemer nog altijd de inhouding starten. Indien de aannemer echter niet op de hoogte is, dan loopt deze het risico van de hoofdelijke aansprakelijkheid. Het is dus essentieel om de inhoudingsplichtcheck regelmatig uit te voeren. 

De ongelijke behandeling tussen aannemers die wel inhoudingen hebben kunnen doen enerzijds, en aannemers die geconfronteerd worden met een automatische toepassing van de wettelijke schuldvergelijking en daardoor geen inhoudingen hebben kunnen doen anderzijds, blijft volgens het Hof gerechtvaardigd. 

 

Voor meer info kunt u terecht bij Siegfried Busscher en Sara Cockx. Het kantoor dankt zomerstagiair Seppe Jansegers voor zijn bijdrage aan deze nieuwsbrief.



[1] Wet van 27 juni 1969 « tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders »

Corporate Social Responsibility

Lees meer

Vacatures

  • Advocaten 8
  • Staff 0
Lees meer