VAT identification obligation for temporary partnerships

VAT identification obligation for temporary partnerships

For more information on this topic you can contact Laurence D'huyvetter.

Btw-identificatieplicht voor tijdelijke maatschappen

Sinds de inwerkingtreding van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen is de tijdelijke vennootschap (tot voor kort nog een tijdelijke handelsvennootschap of "THV") afgeschaft als afzonderlijke rechtsvorm en worden (tijdelijke) maatschappen naar voor geschoven als logische tegenhanger in het kader van (grote) projecten in de bouwsector.

Van zodra een dergelijke maatschap een economische activiteit uitoefent zal zij zich, volgens een recente circulaire, voortaan voor btw-doeleinden moeten laten identificeren.

Vroegere regels

De btw-administratie bevestigde aanvankelijk dat de regels inzake de btw-belastingplicht die van toepassing waren op de tijdelijke handelsvennootschap ook van toepassing zijn op de (tijdelijke) maatschap. Het uitgangspunt was hierbij dat een (tijdelijke) maatschap in principe niet wordt aangemerkt als een btw-belastingplichtige (zodat de btw-formaliteiten rechtstreeks op de schouders van de vennoten vallen) tenzij de vennoten ervoor opteerden om de maatschap as such aan te merken als btw-belastingplichtige.

Huidige regels

In een nog recentere circulaire (Circ. 2020/C/17 van 22 januari 2020) verandert de btw-administratie van koers. De btw-administratie maakt hierbij onderscheid tussen de stille maatschap en andere maatschappen:

  • De stille maatschap heeft geen rechtspersoonlijkheid. De vennoten van een stille maatschap treden in eigen naam op zonder dat de maatschap naar buiten toe gekend is. Een stille maatschap kan om die redenen nooit als een btw-plichtige aanzien worden volgens de btw-administratie en zal zich dan ook niet voor btw-doeleinden moeten identificeren.
  • De maatschap (dus ook de “tijdelijke maatschap”) die geen “stille maatschap” is en geen rechtspersoonlijkheid geniet, zal zich wel voor btw-doeleinden dienen te laten identificeren voor zover zij “in de uitoefening van een economische activiteit geregeld en zelfstandig, met of zonder winstoogmerk, hoofdzakelijk of aanvullend, leveringen van goederen of diensten verricht” die onderworpen zijn aan btw (artikel 4, §1 van het Btw-wetboek).

Hoe de uitoefening van een economische activiteit moet worden ingevuld, wordt niet uitgelegd in de circulaire. In ieder geval is het duidelijk dat de fiscus niet langer het keuzerecht bij de belastingplichtige wil leggen. De vraag zal zich in de praktijk immers stellen vanaf wanneer men zich moet laten identificeren voor btw-doeleinden.

Voor alle duidelijkheid: de maatschap waarvan de vennoten overeenkomen dat zij rechtspersoonlijkheid zal genieten, neemt de vorm aan van een vennootschap onder firma of van een commanditaire vennootschap. Deze vennootschapsvormen zijn ook btw-belastingplichtig van zodra zij een (belastbare) economische activiteit hebben.

Quid bij inschrijving op een overheidsopdracht?

De voorbereiding van een offerte in het kader van de gunning van een bouwproject (zijnde bij inschrijving op een opdracht en vóór aanvang van de uitvoering) kan ons inziens niet aanzien worden als een economische activiteit in de zin van artikel 4, §1 van het Btw-wetboek.

Gelijkaardige twijfels zijn ontstaan bij aannemingsbedrijven zijn ontstaan met betrekking tot de inschrijvingsplicht in de KBO.

In dat kader stelde Minister van Justitie Koen Geens in de Kamercommissie Justitie de vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid zich moet inschrijven "indien zij aan het rechtsverkeer deelneemt en rechten en verplichtingen aangaat met derden" . De verplichtingen die een tijdelijke maatschap in de offerte op zich neemt tegenover de betrokken overheid, volstaan volgens de minister niet. Hij besluit "dat de oprichting van een tijdelijke, in de zin van kortstondige, maatschap door de aannemers voor de gunning van een bouwproject zonder meer niet volstaat om van een inschrijvingsplicht te spreken." Of met andere woorden: "De maatschap die enkel een offerte voorbereidt en die automatisch wordt ontbonden indien de opdracht niet aan de maatschap wordt toebedeeld, heeft echter geen inschrijvingsplicht."

Volgens een parallelle redenering kan aldus gesteld worden dat de maatschap zich op dat moment nog niet moet identificeren voor btw-doeleinden.

Wel btw-registratieplicht bij uitvoering van de werken

In afwachting van duidelijke regels is de voorzichtige aanpak de juiste aanpak en zal de (tijdelijke) maatschap in het kader van bouwprojecten zich voor btw-doeleinden moeten laten identificeren van zodra zij werk in onroerende staat verricht.

Ter vergelijking: een inschrijving in de KBO is verplicht "zodra de betrokken aannemers worden aangesteld als uitvoerder van de werken, zelfs indien de werken nog niet zijn aangevangen." Na de creatie van het ondernemingsnummer zal de (tijdelijke) maatschap aldus ook het ondernemingsnummer bij de btw moeten laten activeren alvorens de werken aan te vangen.

De circulaire is voor het overige ook zeer summier opgesteld en bevat geen praktische richtlijnen of overgangsmaatregelen. Wij volgen dit in ieder geval op de voet op en houden u verder op de hoogte.

Voor meer informatie over deze topic contacteer Laurence D'huyvetter.